schedel konijn
afwijkende tandgroei
€75,00 incl. BTW
1 op voorraad
schedel konijn
afwijkende tandgroei
1 op voorraad
Het konijn (Oryctolagus cuniculus, ook wel Europees konijn) is een dier uit de familie van de hazen en konijnen (Leporidae). Het is de enige soort uit zijn geslacht.
Linnaeus plaatste het konijn in 1758 als Lepus cuniculus in het geslacht Lepus, samen met Lepus timidus (sneeuwhaas), Lepus capensis (Kaapse haas) en Lepus brasiliensis (tapeti of Braziliaans konijn).[2] De haas was Linnaeus toen nog onbekend en die is daarom op dat moment niet in het geslacht Lepus of ergens anders te vinden.[3] De naam “cuniculus” ontleende Linnaeus aan diverse eerdere auteurs, door hem geciteerd (Conrad Gesner, Ulisse Aldrovandi, Jan Jonston en John Ray), die de naam als geslachtsnaam voor het konijn hadden gebruikt.
Wilhelm Lilljeborg plaatste het konijn in 1873 in het geslacht Oryctolagus,[4] een monotypisch geslacht, wat betekent dat het een geslacht met maar één soort is. Er worden twee wilde ondersoorten onderscheiden: Oryctolagus cuniculus algirus, aanwezig in het zuidwesten van het Iberisch Schiereiland, en Oryctolagus cuniculus cuniculus.[5] Het tamme konijn wordt aangeduid als ondersoort Oryctolagus cuniculus domesticus of als Oryctolagus cuniculus f. domestica.
De grootte zit tussen die van de echte hazen en de fluithazen in met een kop-romplengte van 35 tot 50 cm.[6] De achterpoten van het konijn zijn relatief veel korter dan die van de hazen, maar langer dan die van de fluithazen. De buik is veel lichter van kleur dan de rug, vaak wit. Ook de onderzijde van de staart en de poten is wit.
Het lichaamsgewicht bedraagt 1,2 tot 2,5 kilogram. De staart is 4 tot 8 centimeter lang. Konijnen hebben voornamelijk een grijsbruine kleur, wildkleur of agouti genaamd. De dieren hebben ook een roodbruine vlek in de nek. De oren hebben een bruin puntje, de bovenzijde van de staart is zwartbruin. De buikzijde is blauwig grijs van kleur, de onderzijde van de staart is wit. Deze valt zeer op als hij wordt opgewipt. Sommige konijnen die maar half wild zijn kunnen wit of zwart zijn. Bij het konijn zijn de oren maximaal tien centimeter lang en korter dan de kop.
Het konijn leeft alleen van plantaardig voedsel. Ook eet het zijn eigen keutels op (coprofagie).
Haasachtigen, waaronder konijnen, behoren niet tot de knaagdieren. Knaagdieren beschikken in het bovenste deel van het gebit over maar twee snijtanden, terwijl haasachtigen er vier hebben, waarvan de twee stifttanden achter de bovenste snijtanden staan.
Een voedster of moer is een vrouwelijk konijn. Deze is naast een verschil in geslachtsorganen van het mannelijk konijn te onderscheiden omdat haar lijf langer is en de kop minder grof. Bij een jong konijn is dit onderscheid moeilijker te zien. De voedster van het tamme konijn is over het algemeen rustiger dan de rammelaar, behalve wanneer ze drachtig is; dan kan ze behoorlijk uitvallen en fel bijten. Na de bevalling als ze net jongen hebben gekregen zijn ze zeer beschermend en soms agressief. De rammelaar of ram is een mannelijk konijn. Deze is temperamentvoller dan de voedster. De rammelaar is meestal dikker en zwaarder en heeft een bredere kop. Het jong van een konijn heet een lamprei of kitten.